De vergewisplicht van de minister bij toetsing gedoogplicht15 juni 2017

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in een uitspraak van 14 juni 2017 een nadere invulling gegeven aan de wijze waarop de minister moet voldoen aan de op hem rustende verplichting om zich er, bij de beoordeling van een aanvraag door een leidinglegger tot oplegging van een gedoogplicht als bedoeld in de Belemmeringenwet Privaatrecht, van te vergewissen dat de leidinglegger serieuze en redelijke pogingen heeft ondernomen om overeenstemming te bereiken. De uitspraak treft u hier aan.

Uit de uitspraak blijkt dat de eigenaar van de grond met de leidinglegger (TenneT) van mening verschilde over de hoogte van de vermogensschade die de eigenaar als gevolg van de te realiseren leiding zou lijden in de vorm van waardevermindering van zijn onroerend goed. Uit de overwegingen van de Afdeling volgt dat bij de vraag of zich waardevermindering voordoet niet uitsluitend moet worden gekeken naar het kadastrale perceel dat door de (beoogde) leiding wordt geraakt, maar tevens naar het complex van aaneengesloten percelen die gezamenlijk één geheel vormen waarvan dat perceel onderdeel uitmaakt, de zogenoemde "complexbenadering".

TenneT had in het aanvankelijke (standaard)voorstel deze complexbenadering niet toegepast en in het aanbod tot vestiging van een zakelijk recht geen vergoeding aangeboden voor de binnen het complex aanwezige  bedrijfswoning. De Afdeling oordeelt in rechtsoverweging 11.5 dat de waardevermindering van bebouwing van omliggende percelen een relevante schadecomponent betreft. De minister dient zich ervan te vergewissen of die schadecomponent op toereikende wijze in het minnelijk overleg is betrokken. De Afdeling stelt vast dat de minister dat niet gedaan heeft en dat TenneT slechts 3 dagen voor de oplegging van de gedoogplicht - dus pas ruimschoots na de aanvraag om een gedoogbeschikking - een aanvullend aanbod heeft gedaan. De eigenaar/rechthebbende had onvoldoende tijd om dit aanbod te kunnen beoordelen en daarop te reageren.

Deze uitspraak is om drie redenen van belang voor de praktijk.

In de eerste plaats staat hiermee vast dat het in de wet en jurisprudentie verankerde beginsel van volledige schadeloosstelling met zich brengt dat de leidinglegger zich niet steeds kan beperken tot een aanbod dat uitsluitend betrekking heeft op het kadastrale perceel waarin de leiding is voorzien. In de standaardvoorwaarden die TenneT hanteert is overigens slechts sprake van een beperkte complexbenadering. Uit de uitspraak volgt (impliciet) dat die beperkte benadering niet (steeds) in overeenstemming is met het beginsel van een volledige schadeloosstelling.

In de tweede plaats bevestigt de uitspraak dat de rechthebbende aanspraak heeft op vergoeding van de waardevermindering op de dag dat de gedoogplicht van kracht wordt. Een rechthebbende kan er ook voor kiezen om pas in een later stadium vergoeding van de waardevermindering te verlangen, maar hij heeft aanspraak op vergoeding op de dag dat hij de schade lijdt ook al blijft de rechthebbende gewoon eigenaar van het object waarvan de waarde vermindert.

In de derde plaats volgt uit de uitspraak dat aanbiedingen die de leidinglegger doet terwijl reeds een gedoogbeschikking is aangevraagd te laat kunnen zijn, in het bijzonder als de minister die aanbiedingen niet meer in zijn beoordeling kan betrekken.

Heeft u te maken met een mogelijke oplegging van een gedoogplicht, wordt u benaderd door TenneT, Gasunie of een ander leidinglegger en heeft u vragen over uw rechtspositie, neemt u dan gerust contact met mij op.

Deel deze pagina:

Contactpersoon