Hoge Raad spreekt zich uit over billijke vergoeding21 juli 2017

Twee jaar na de invoering van de WWZ, op 30 juni 2017, heeft de Hoge Raad zich uitgesproken over de billijke vergoeding bij een vernietigbare opzegging en de wijze waarop deze vergoeding moet worden vastgesteld. De Hoge Raad maakt in deze uitspraak korte metten met het standpunt dat bij het vaststellen van de billijke vergoeding de gevolgen van het ontslag voor de werknemer geen rol mogen spelen. Betekent deze uitspraak het einde van sobere ontslagvergoedingen?

Casus

In de onderhavige zaak betrof de werkneemster een kapster die al 25 jaar in dienst was bij een kapsalon voor 4,5 uur per week. Na een aantal discussies tussen partijen en diverse mislukte pogingen van de werkgever om het dienstverband met werkneemster te beëindigen (aanbod vaststellingsovereenkomst, UWV-procedure), besloot de werkgever de werkneemster dan maar zonder pardon de wacht aan te zeggen. De werkgever was er naar eigen zeggen 'klaar mee'.

Kantonrechter en Hof

Een dergelijke wijze van beëindigen van een arbeidsovereenkomst is echter niet mogelijk onder Nederlands recht. De werkneemster vocht daarom het ontslag aan en vorderde een billijke vergoeding van een kleine € 60.000. De kantonrechter en het Hof kwamen echter niet verder dan het toekennen van een billijke vergoeding van € 4.000 bruto. Daarbij werd aangegeven dat de vergoeding een punitief en afschrikwekkend karakter moet hebben, maar dat de duur van het dienstverband en andere persoonlijke feiten en omstandigheden niet van invloed zijn op de billijke vergoeding. Deze punten zijn volgens kantonrechter en hof al in de transitievergoeding verdisconteerd.

Hoge Raad

In de procedure bij de Hoge Raad is door de werkneemster betoogd dat bij het vaststellen van de billijke vergoeding onvoldoende acht is geslagen op haar belangen. Volgens de werkneemster moeten de gevolgen die de opzegging voor haar heeft in de vergoeding tot uitdrukking komen.

De Hoge Raad gaat in dit betoog mee. De Hoge Raad geeft aan dat hoewel in de toelichting op de WWZ is opgemerkt dat de billijke vergoeding naar haar aard in relatie zal staan tot het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever en niet tot de gevolgen van het ontslag, daaruit niet kan worden afgeleid dat deze gevolgen helemaal geen rol mogen spelen bij het vaststellen van de billijke vergoeding. De gevolgen van het ontslag kunnen op zichzelf geen grond meer zijn voor het toekennen van een vergoeding anders dan de transitievergoeding, maar het stelsel van de WWZ verzet zich er niet tegen dat bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding daarmee wel rekening wordt gehouden.

De Hoge Raad overweegt verder:
"Bij het vaststellen van de billijke vergoeding (…) gaat het uiteindelijk erom dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Doordat (..) bij het vaststellen van de billijke vergoeding rekening kan worden gehouden met de gevolgen van het ontslag, kan met die vergoeding ook worden tegengegaan dat werkgevers voor een vernietigbare opzegging kiezen omdat dit voor hen voordeliger is dan het op de juiste wijze beëindigen van de arbeidsovereenkomst of het in stand houden daarvan. (…) Uit de tekst van de parlementaire toelichting op de WWZ blijkt niet dat de wetgever aan de billijke vergoeding een specifiek punitief karakter heeft willen toekennen. Daarom behoort bij het vaststellen van de billijke vergoeding daarmee geen rekening te worden gehouden."

De Hoge Raad heeft de zaak terugverwezen naar het Hof. Die zal zich opnieuw moeten buigen over de omvang van de billijke vergoeding in kwestie.

Concluderend

Hoewel de Hoge Raad in deze uitspraak geen keiharde handvatten biedt voor het vaststellen van de billijke vergoeding, is wel duidelijk dat de Hoge Raad met betrekking tot de billijke vergoeding een ruimere berekeningsgrondslag hanteert dan kantonrechters en hoven tot nu toe deden. Deze uitspraak zou kunnen betekenen dat billijke vergoedingen in de toekomst hoger zullen gaan uitvallen. Of dit daadwerkelijk het geval zal zijn, zullen we moeten afwachten. Duidelijk is wel, dat deze uitspraak geen invloed heeft op de hoogte van de (vrij sobere) transitievergoeding. Die moet nog steeds conform de wettelijke berekeningsgrondslag worden berekend; bijkomende omstandigheden kunnen daarin geen rol spelen.

Heeft u vragen naar aanleiding van het bovenstaande? Neem dan gerust vrijblijvend contact met mij of een van mijn collega's op!

Deel deze pagina:

Contactpersoon