Wanneer verjaart de vordering op een rechtspersoon na faillissement?11 augustus 2017

Wanneer verjaart de vordering op een rechtspersoon die failleert en vervolgens na de afwikkeling van het faillissement ophoudt te bestaan?

U heeft een vordering op een rechtspersoon. Deze rechtspersoon gaat failliet en u dient de vordering in bij de curator. Het faillissement wordt afgewikkeld en er kan geen uitkering op de bij de curator ingediende vorderingen plaatsvinden. Door de opheffing van het faillissement wegens "gebrek aan baten" wordt de rechtspersoon ontbonden (artikel 2:19 lid 1 onder c BW) en houdt deze op te bestaan (artikel 2:19 lid 4 BW).

Is er daarna dan nooit meer verhaal mogelijk?

Meestal niet, maar er kunnen zich omstandigheden voordoen die het nemen van verhaal weer mogelijk maakt. Blijkt er toch nog vermogen van de rechtspersoon aanwezig, dan kan een verzoek tot heropening van de vereffening worden gericht tot de rechtbank (artikel 2:23c BW). Indien de rechtbank de vereffening heropend, dan herleeft de vennootschap om de vereffening (alsnog) op juiste wijze af te wikkelen. De rechtbank zal in dat geval een vereffenaar benoemen.

Hoe zit het daarbij met de verjaring van vorderingen?

In de wet is in artikel 2:23c lid 2 BW jo 3:320 BW bepaald dat wanneer een verjaringstermijn zou aflopen gedurende het tijdvak waarin de vennootschap had opgehouden te bestaan of binnen zes maanden na heropening van de vereffening, die verjaringstermijn voortduurt totdat zes maanden na die heropening zijn verstreken.

In het arrest van 30 juni 2017 (ECLI:NL:HR:2017:1182, Eiser/Rabobank) heeft de Hoge Raad op deze vraag het navolgende overwogen:

“Artikel 2:23c lid 2 BW in verbinding met artikel 3:320 BW geeft een regel voor het tijdstip waarop een verjaringstermijn van een vordering op een rechtspersoon eindigt nadat die rechtspersoon is opgehouden te bestaan. Die regel veronderstelt dat een lopende verjaringstermijn in elk geval niet afloopt zolang de vereffening van de rechtspersoon niet is heropend op de voet van artikel 2:23c lid 1 BW. Dit brengt mee dat heropening van de vereffening geen vereiste is voor het (voort)lopen van de verjaringstermijn. Om dezelfde reden behoeft een verjaringstermijn van een vordering op een niet meer bestaande rechtspersoon niet te worden gestuit gedurende de periode dat die rechtspersoon niet meer bestaat.”

Conclusie

Als er op enig moment blijkt dat er nog vermogen van de rechtspersoon aanwezig is, dan kan de vereffening van die rechtspersoon worden heropend. Mocht de verjaringstermijn van een vordering inmiddels zijn verstreken, dan loopt die verjaringstermijn feitelijk door tot zes maanden na de heropening van de vereffening.

Deel deze pagina:

Contactpersoon