Verplichte rechterlijke toets in aangepaste onteigeningsprocedure29 september 2017

De huidige procedure

Naar huidig recht bestaat de onteigeningsprocedure uit twee fasen: de administratieve fase en de gerechtelijke fase. In de administratieve fase vraagt de overheid aan de Kroon om een onteigeningsbesluit te nemen. Het ontwerp onteigeningsbesluit wordt zes weken ter inzage gelegd. Eigenaren, huurders, pachters en andere belanghebbenden kunnen in deze periode bezwaar maken tegen het ontwerp. Na uiterlijk zes maanden volgt het onteigeningsbesluit. Met het onteigeningsbesluit kan de onteigenende partij zich tot de rechter wenden om de onteigening uit te laten spreken en de hoogte van de schadevergoeding vast te laten stellen. In de gerechtelijke procedure kan de onteigende partij het onteigeningsbesluit (marginaal) laten toetsen door de rechter. 

Momenteel wordt er gewerkt aan een wijziging van de Onteigeningswet. Deze wet gaat namelijk op in de nieuwe Omgevingswet. In juli 2016 is het Wetsvoorstel Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet (hierna: "het Wetsvoorstel") ter advisering voorgelegd aan de Raad voor de Rechtspraak (hierna: "de Raad"). Op dit Wetsvoorstel is stevige kritiek geuit.

Stevige kritiek van de Raad voor de Rechtspraak in november 2016

In het Wetsvoorstel was geregeld dat het voornemen tot onteigening niet langer getoetst zou worden door de Kroon. In plaats daarvan zou een onteigeningsbeschikking worden genomen door de onteigenende partij. Tegen deze onteigeningsbeschikking kon vervolgens beroep worden ingesteld bij de bestuursrechter.

De Raad heeft instemmend gereageerd op het voornemen om de onteigeningsbeschikking te laten toetsen door de onafhankelijke bestuursrechter. Wel werden ernstige bedenkingen geuit bij de wijze waarop deze toetsing in het Wetsvoorstel was vormgegeven. Op de eerste plaats ontbrak volgens de Raad in het Wetsvoorstel dat de bestuursrechter het voornemen tot onteigening vol moet toetsen. Dat wil zeggen dat de rechter inhoudelijk toetst of onteigening noodzakelijk is om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken, en of die ontwikkeling van dusdanig belang is dat onteigening gerechtvaardigd is. Daarnaast achtte de Raad onvoldoende geborgd dat iemand niet tegen zijn wil - of beter gezegd: zonder dat hij zijn bezwaren kenbaar heeft kunnen maken - zou kunnen worden onteigend. Anders dan in de huidige procedure, hoefde de onteigenende partij op grond van het Wetsvoorstel namelijk geen poging te doen om de zaak bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen en geen gerechtelijke procedure te starten om te kunnen onteigenen. Wilde de onteigende partij de onteigeningsbeschikking aan een rechter voorleggen, dan moest zij als gevolg van het Wetsvoorstel allereerst tijdig een zienswijze indienen, vervolgens op eigen initiatief en tijdig beroep instellen, en tevens tijdig het griffierecht betalen. Gelet op de verregaande inbreuk van onteigening op het eigendomsrecht vond de Raad dit een te grote belemmering.

Verbeteringen in het aangepaste Wetsvoorstel

Naar aanleiding van de kritiek van de Raad heeft de wetgever het Wetsvoorstel aangepast en in juni 2017 opnieuw ter advisering aan de Raad voorgelegd (NB: het aangepaste Wetsvoorstel is nog niet openbaar gemaakt). Een belangrijke verbetering ten opzichte van het oorspronkelijke Wetsvoorstel is de invoering van een verplichte rechterlijke toets. Nadat de vastgestelde onteigeningsbeschikking bekend is gemaakt en ter inzage is gelegd, moet het bestuursorgaan de bestuursrechter verzoeken om de onteigeningsbeschikking te bekrachtigen. Belanghebbenden kunnen hun bedenkingen tegen de onteigening kenbaar maken bij deze rechter. De rechtbank beoordeelt op basis van deze bedenkingen en een wettelijk vastgestelde basistoets of de onteigening plaats mag vinden. De basistoets moet echter in alle gevallen worden uitgevoerd, dus ook wanneer er geen bedenkingen kenbaar zijn gemaakt. Tegen de uitspraak van de bestuursrechter staat hoger beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Conclusie

Met het aangepaste Wetsvoorstel is zeker gesteld dat er - ingeval van een voorgenomen onteigening - altijd een rechterlijke toets bij de bestuursrechter plaatsvindt. Dat is naar onze mening een goede zaak!

Voor nadere inlichtingen kunt u zich wenden tot Guy Seelen.

Deel deze pagina:

Contactpersoon