Vordering wegens niet-genoten vakantiedagen: boedelschuld?18 januari 2018

Uit het in 1999 door de Hoge Raad gewezen arrest LISV/Wildering q.q. volgt dat de uitkering in geld voor door de werknemer niet-genoten vakantiedagen na ontslag door de curator een boedelschuld is. Nadat de Hoge Raad in 2013 het arrest Koot Beheer/Tideman q.q. had gewezen was in de literatuur discussie ontstaan over de vraag of deze schuld nog steeds moest worden beschouwd als een boedelschuld of dat deze op grond van artikel 37a Fw als een concurrente schuld had te gelden.

Aan deze discussie heeft de Hoge Raad onlangs een einde gemaakt in het arrest UWV/Aukema q.q. van 17 november 2017 (ECLI:NL:HR:2017:2907). In dat arrest bevestigt de Hoge Raad dat de regel uit het arrest LISV/Wilderink q.q. nog steeds geldt. Dus wanneer de curator een werknemer tijdens faillissement ontslaat, dan heeft nog steeds te gelden dat de aanspraak (de geldvordering) van die werknemer op niet-genoten vakantiedagen een boedelschuld is. Uit het arrest volgt ook dat de curator de werknemer niet kan dwingen om de niet-genoten vakantiedagen alsnog op te nemen tijdens de opzegtermijn om zodoende het ontstaan van een boedelschuld te voorkomen.

Deel deze pagina:

Contactpersoon