Retailfaillissementen: Executieverkoop vanuit de winkel24 januari 2018

Executieverkoop vanuit de winkel tijdens faillissement: omzetbelasting is boedelschuld?

In de Geddes & Gilmore faillissementen heeft de rechtbank Amsterdam de navolgende prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad:

  1. “Moet als boedelschuld worden aangemerkt de omzetbelastingschuld die ontstaat doordat de pandhouder op de voet van art. 3:251 BW na faillissement van de pandgever overgaat tot onderhandse verkoop en levering aan particulieren en doordat de pandhouder zich mede verhaalt op de in de opbrengst begrepen omzetbelasting? Zo ja, valt deze in één van de drie door de Hoge Raad in het arrest Koot Beheer/Tideman q.q. genoemde categorieën boedelschulden?”
  2. Is relevant of de verkoop krachtens een vóór het faillissement met de pandgever gemaakte afspraak plaatsvindt (3:251 BW) of dat de curator betrokken is bij de verkoop?
  3. Is daarbij relevant dat sprake is van het voortzetten van het bedrijf door de curator zoals bedoeld in artikel 98 Fw of 173a Fw?

In zijn arrest van 15 december 2017 (ECLI:NL:HR:2017:3149) heeft de Hoge Raad op voornoemde drie vragen geantwoord dat de omzetbelastingschuld die ontstaat bij verkoop en levering als gevolg van parate executie door de pandhouder in faillissement (in de retail: executieverkoop tijdens faillissement vanuit de winkel aan particulieren; hierbij is de verleggingsregeling niet van toepassing) geen boedelschuld oplevert. De Hoge Raad verwijst hierbij naar het Rentekas-arrest. De Hoge Raad besliste voorts dat er geen sprake is van een rechtshandeling van de curator waaraan de verschuldigdheid van omzetbelasting is verbonden. Dit heeft ook te gelden als de executoriale verkoop door de pandhouder plaatsvindt, terwijl de curator het bedrijf van de gefailleerde voortzet.

De pandhouder kan zich aldus ten nadele van de belastingdienst verhalen op de omzetbelasting over de te realiseren opbrengsten tijdens de executieverkoop.

Wijziging per 1 januari 2018

De beslissing van de Hoge Raad dateert van 15 december 2017. Per 1 januari 2018 is het 'weglekken' van het betalen van omzetbelasting alweer gedicht met artikel 42d Invorderingswet 1990. Op grond van dat artikel geldt dat de pandhouder (maar ook de hypotheekhouder of andere executanten) die zich met ingang van 1 januari 2018 verhaalt op het door de executiekoper betaalde bedrag, hoofdelijk aansprakelijk is voor de omzetbelastingschuld die verschuldigd is voor de levering. Dit laatste indien de pandhouder wist of behoorde te weten dat de omzetbelasting niet of niet volledig door de belastingschuldige is of zal worden voldaan. De pandhouder krijgt hierdoor echter geen regresvordering (boedelschuld) op de boedel. Wel kan zij haar met pandrecht versterkte vordering, voor zover niet voldaan, indienen bij de curator op grond van artikel 59 Fw (concurrente vordering).

Deel deze pagina:

Contactpersoon