PANDRECHT op roerende zaken en de pandgever gaat failliet. Wat nu?23 april 2018

 Artikel 57 Faillissementswet geeft aan dat de pandhouder zijn recht kan uitoefenen alsof er geen faillissement was. Dit betekent dat de bezitloos pandhouder afgifte van de verpande zaken kan verlangen van de curator en deze zaken volgens de gewone pandregels kan verkopen. Maar dat betekent niet dat de pandhouder niet voor problemen kan komen te staan. Hij kan immers geconfronteerd worden met andere schuldeisers van de pandgever (de failliet) die sterkere rechten hebben. Hierbij kan worden gedacht aan het bodemvoorrecht van de belastingdienst en de voorrechten als genoemd in de artikelen 3:283-287 Burgerlijk Wetboek.

Het fiscaal bodemvoorrecht is neergelegd in artikel 21 Invorderingswet en bepaalt dat de belastingdienst een voorrecht heeft op alle goederen van de belastingschuldige (de failliet). Alhoewel in artikel 3:279 BW is bepaald dat een door pandrecht verzekerde vordering boven alle andere voorrechten gaat, maakt de Invorderingswet hierop dus een belangrijke uitzondering. Het fiscaal voorrecht voor sommige belastingen (met name omzet- en loonbelasting) is namelijk sterker dan een stil pandrecht op bepaalde roerende zaken, namelijk de zogenaamde bodemzaken. Dit zijn - kort gezegd - de op de (bedrijfs)locatie van failliet aanwezige goederen met uitzondering van de voorraden. Dus veelal de inventaris.

Aan het sterke bodemvoorrecht van de belastingdienst kan de pandhouder zich onttrekken als hij de verpande zaken voorafgaand aan het faillissement in vuistpand neemt of als er een zogenaamde 'bodemverhuurconstructie' wordt opgetuigd. Hiervan is sprake als de (bedrijfs)locatie in beheer c.q. gebruik is bij een ander dan de pandgever (de failliet). De verpande goederen staan aldus niet meer op de 'bodem' van failliet en daardoor is het sterke voorrecht van de belastingdienst niet van toepassing.

Naast de belastingdienst kunnen ook andere schuldeisers een sterkere positie innemen tegenover de pandhouder. Een voorbeeld hiervan betreft de schuldeiser die kosten heeft gemaakt ter behoud van het onderpand (zie artikel 3:283 e.v. BW).

Voor de groep schuldeisers die in rang vóór de pandhouder gaan, bevat artikel 57 lid 3 Fw een bijzondere voorziening. De curator dient conform dat artikel de belangen van die crediteuren te behartigen bij de verdeling van de opbrengst. De opbrengst dient de pandhouder af te dragen aan de curator. Het bedrag dat de pandhouder dient af te dragen is gelijk aan de vordering(en) van de hoger bevoorrechte crediteur(en), dan wel de gehele opbrengst indien deze vorderingen groter zijn dan die van de pandhouder. De opbrengst komt via de uitdelingslijst ter beschikking van de betreffende crediteur(en), met als gevolg dat deze moet(en) delen in de (vaak aanzienlijke) omslag van de algemene faillissementskosten (boedelschulden).

Heeft u vragen over het pandrecht of wilt u hulp bij het tot stand brengen of uitwinnen daarvan? Neem dan contact op met de Ondernemingsrecht advocaten van Geelkerken Linskens. Wij staan voor u klaar.

Deel deze pagina:

Contactpersoon