Verwerping nalatenschap door moeder namens minderjarige16 augustus 2018

(De termijn van art. 4:193 BW 15-08-2018)

Op grond van art. 4:193 lid 1 BW kan een wettelijke vertegenwoordiger van een erfgenaam voor deze erfgenaam niet zuiver aanvaarden en heeft de vertegenwoordiger voor verwerping van de nalatenschap een machtiging van de kantonrechter nodig. De wettelijke vertegenwoordiger is verplicht een verklaring van beneficiaire aanvaarding of van verwerping af te leggen binnen drie maanden vanaf het tijdstip waarop de nalatenschap (of een aandeel daarin) de erfgenaam toekomt. In de meeste gevallen loopt deze termijn vanaf het overlijden van de erflater. Komt de nalatenschap de erfgenaam eerst toe nadat een eerder geroepen erfgenaam haar verwierp, dan loopt de termijn vanaf het moment van de verwerping. Laat de wettelijke vertegenwoordiger de termijn van drie maanden verlopen, dan geldt op grond van art. 1:193 lid 2 BW de nalatenschap als door de erfgenaam beneficiair aanvaard. Wat als binnen drie maanden een machtiging wordt verzocht, maar dat deze machtiging niet binnen de termijn wordt verleend? Hieronder een zaak waar dit speelde.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 juni 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:5920

In de procedure bij het hof in Arnhem waren de feiten als volgt: Meneer en mevrouw hebben een (nu nog minderjarige) zoon, over wie de moeder van rechtswege het eenhoofdig ouderlijk gezag uitoefent. De vader van de vrouw is overleden en heeft geen testament. Op grond van art. 4:10 BW is de vrouw erfgenaam, maar zij verwerpt de nalatenschap. Door verwerping van de moeder is haar zoon erfgenaam geworden.

De moeder heeft binnen de driemaandstermijn verklaard dat zij de nalatenschap namens haar minderjarige zoon wil verwerpen en de kantonrechter verzocht om haar een machtiging tot verwerping te verlenen. De kantonrechter heeft deze machtiging echter geweigerd en inmiddels is de termijn van drie maanden verstreken. De moeder ging in hoger beroep.

Volgens het hof komt het in de praktijk vaker voor dat binnen de driemaandstermijn van art. 4:193 lid 1 BW een machtiging tot verwerping van een nalatenschap wordt verzocht, maar dat deze machtiging vervolgens niet binnen de termijn wordt verleend, bijvoorbeeld door de verwerkingstijd die de kantonrechter nodig heeft voor het nemen van een beslissing of doordat tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep wordt ingesteld. Het hof acht het onwenselijk dat een strikte toepassing van art. 4:193 lid 1 BW ertoe leidt dat de nalatenschap als door de erfgenaam beneficiair aanvaard geldt, mede vanwege de bescherming die deze bepaling beoogt te bieden aan minderjarigen.

Of wordt voldaan aan de driemaandstermijn uit art. 4:193 lid 1 BW is daarom de datum waarop het verzoek om een machtiging voor verwerping te verlenen is ingediend van beslissend belang, en niet de datum waarop de machtiging is verleend.

In onderhavig geval is het hof van oordeel dat de vrouw tijdig namens haar kind een verklaring van verwerping heeft afgelegd. Volgens de vrouw is de nalatenschap negatief. Het hof acht verwerping van de nalatenschap daarom in het belang van het kind. Het hof vernietigt de beschikking van de kantonrechter en verleent de vrouw alsnog de verzochte machtiging.

Heeft u vragen over erfrecht of andere zaken die te maken hebben met een nalatenschap? Neemt u dan contact op met Maya Perfors, Kim Diepstraten of Sylvia Raphael. Zij staan u graag te woord. Dat kan telefonisch, per e-mail of tijdens een gratis kennismakingsgesprek van 30 minuten op ons kantoor in Leiden.

Deel deze pagina:

Contactpersoon